De kracht van literatuur

06-08-2015

De kracht van literatuur

Het begon allemaal met het boek 'zie: liefde' van David Grossman dat ik aan het herlezen ben. Ter introductie: David Grossman woont en werkt in Israël en schrijft veel boeken over het Joods-palastijnse conflict en de Tweede wereldoorlog. Deze beschrijving doet hem eigenlijk tekort, zoals beschrijvingen eigenlijk bijna altijd iemand tekort doen. David Grossman schrijft niet over de politieke oorzaken en het conflict zelf; maar over de betekenis van die conflicten voor de mensheid. Niet de droge feiten, maar de betekenissen die eraan worden toegekend.

 

Een bevriend mensenrechtenwetenschapper met wie ik over dit boek in gesprek was, zei tegen mij: eigenlijk probeert hij te beschrijven wat niet te beschrijven is, iets te verwoorden wat niet te begrijpen is. Is het dan bij voorbaat een mislukte exercitie? Het lijkt er meer op dat hij een van de weinige is die het onzegbare zegbaar kan maken, het ondenkbare denkbaar. Hij brengt een ervaring onder woorden en dat doet hij met taal. Nu heeft zijn hoofdpersoon uit Zie:liefde  tegelijkertijd een moeilijke verhouding met taal. Met sommige woorden wil hij niks te maken hebben; woorden leggen vast, kunnen veroordelen en framen. En woorden kunnen iemands dood bewerkstelligen.

 

 “Hij is altijd de zwakke schakel geweest. Ja: Hij wist dat een taal waarin zinnen gezegd kunnen worden als: ik heb jouw jood gedood, nu zal ik jouw jood doden, een taal waarin zulke taalconstructies zichzelf niet automatisch teniet deden, waarin ze niet veranderden in vergif of in een wurgende stuiptrekking in de keel van degene die ze uitsprak-dat zo’n taal niet de taal van het leven was. Ze was niet menselijk en niet ethisch, het was een taal die heel lang geleden misschien hier binnen gedrongen was door toedoen van boosaardige verraders, en waarvan de enige regel luidde-doden.” P. 209

 

Het is dus een zoektocht naar taal die juist authentiek is en menselijk, in plaats van een taal die woorden gebruikt om mensen te ontmenselijken (nazi-regime) die een belangrijke rol inneemt in het boek. Die zoektocht in het boek is fictief, maar niettemin slaagt de schrijver van het verhaal er zelf heel behoorlijk in om die authentieke taal te naderen.

 

David Grossman zelf laat door zijn schrijfstijl zien dat woorden juist ook kunnen openleggen: het tegenovergestelde van veroordelen. Dat ze begrip kunnen kweken, onze verbeeldingskracht kunnen aanwakkeren om dieper in iemands huid te kunnen kruipen. Grossman kan dat als de beste: zijn woorden onderzoeken en bevragen. Ook zijn hoofdpersonen blinken uit in hun waarnemingskracht; ze zijn in staat goed te kijken en luisteren: zo is beschrijft een negenjarige hoofdpersoon de eerste blik op zijn grootvader als volgt: “zijn huid was een beetje geel en een beetje bruin, net als bij een schildpad, en hing los om zijn nek en armen, die heel mager waren; zijn hoofd was helemaal kaal en hij had lege blauwe ogen”.

 

Woorden zijn dragers, dragers van betekenis. En op de juiste manier gebruikt kunnen ze verheldering geven, herkenning en vandaaruit zelfs troost. Grossman gebruikt taal bijvoorbeeld om te laten zien wat de tweede wereldoorlog betekent heeft voor de tweede generatie Joden, om te laten zien hoe een mens kan verworden tot een nazi en hoe de ene mens in staat kon zijn een ander te doden. Hij heeft met taal tot in de diepte gezocht en maakt daardoor de ervaring zowel particulier als universeel tegelijk. En dat is mijns inziens een belangrijke kracht van literatuur. Het zoekt naar een beschrijving van de werkelijkheid die recht doet aan het particuliere van ieder mens, het specifieke en individuele. Het uit geen oordelen, of neemt stelling, maar onderzoekt en bevraagt. Probeert met chirurgische precisie het particuliere van de mens te analyseren. En juist daardoor wordt een universele ervaring opgeroepen; is er herkenning vanuit de diepte. Poëzie leent zich daarvoor vaak nog meer dan proza. Poëzie is de kracht om met weinig woorden precies te kunnen uitdrukken hoe iets in onze menselijke ervaring kan zijn, zoals hier het gedicht van Herman de Coninck voor mij kan doen:

 

Ligstoel (Voor Jan Fabre)

 

Er is een soort niets dat ik zoek. Wat je overhoudt

 

als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken:

 

je beide handen. Geuren lanterfanteren door de tuin.

 

Ik heb een ligstoel onder me waarin zo laag als ik maar

 

in mezelf kan liggen, op mijn rug, het onderste wat ik heb, lig.

 

Hoe is dit liggen? Zoals je een cognac afmeet door het glas

 

horizontaal te leggen, zo is dit liggen, ik heb veel van mezelf

 

nodig om vol te zijn, wat ik nodig heb is vooral: weinig.

 

Er is te weinig weinig. De vergevingsgezindheid

 

van het niets waarin wij, als we eveneens

 

niets zouden zijn, zouden passen.

 

De lucht is zo blauw als vergeetachtigheid,

 

De lucht is zo blauw als blauwsel waarmee destijds

 

linnen werd gewassen om witter te zijn.

 

Herman de Coninck

 

Door dit gedicht resoneert in mij een diep herkend menselijk en medemenselijk gevoel. “ik had het nooit zo onder woorden kunnen brengen, maar dit is precies wat ik bedoel”.

 

Dat woorden ook anders gebruikt kunnen woorden is ook duidelijk, bijvoorbeeld in een andere context. Woorden die een diepgaand menselijk gevoel kunnen oproepen, kunnen ook voor een ander doel gebruikt worden. In plaats van te openen, te graven en je nieuwe dimensies te leren kennen, kunnen ze juist ook sluiten, je opsluiten. Zelfs, dezelfde woorden, kunnen dat effect hebben. Het ligt aan de context en de intentie waar ze voor gebruikt worden. Woorden zijn niet waarden-loos. Woorden zijn waarden geladen, en de context vult het woord met die waarden.

 

Het is bij uitstek de kracht van poëzie en literatuur dat het woorden gebruikt om te openen, begrip kan kweken voor het individuele en juist daardoor beroep doet op onze universele medemenselijkheid.

 


Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst.

Typ hier jouw bericht:


Naam*
E-mailadres*
Je bericht*
Vul de code in* Captcha

Velden met een * zijn verplicht!